Beschouwingen over beleggingsverzekeringen
Verzekeraars en assurantietussenpersonen hebben gehoor gegeven aan de roep vanuit consumentenbelangenorganisaties en de politiek om iets te doen aan de zo veelvuldig bekritiseerde intransparantie van de kostenstructuur van levensverzekeringsproducten. Die intransparante kostenstructuur is voor mij gedurende een reeks van jaren een punt van grote zorg geweest.
In mijn jaarverslagen als Ombudsman Verzekeringen heb ik daar hardnekkig en nadrukkelijk aandacht voor gevraagd, maar dit hielp slechts mondjesmaat om op dat punt verbetering te bereiken. Wat wel heeft geholpen, is dat steeds meer afnemers van deze producten hebben moeten constateren dat ze in feite producten hadden gekocht die onvoldoende voldeden nadat de fiscale faciliring ervan, waar de consument voordeel aan kon ontlenen en waardoor het product aantrekkelijk was gemaakt, was ingeperkt, en nadat bovendien de beursbaisse in de voorbije jaren ervoor had gezorgd dat de opbrengsten van deze producten de kosten ervan niet meer konden compenseren.
De consumentenopstand die hierdoor teweeg werd gebracht, vanuit consumentenbelangenorganisaties, pers, politiek en ook individuele consumenten, heeft de verzekeraars er uiteindelijk toe gebracht om tot actie over te gaan. Om te beginnen hebben vier verzekeringsmaatschappijen vrijwillig met de Autoriteit Financile Markten samengewerkt aan een onderzoek naar de desbetreffende kostenstructuur. De uitkomsten van dat onderzoek waren dusdanig, dat verzekeraars inzagen dat er geen ontkomen aan was en dat er ten aanzien van de geconstateerde intransparantie handelend moest worden opgetreden. Dit hebben zij gedaan door de commissie De Ruiter te benoemen.
Deze commissie, onder leiding van mijn voorganger mr. Job de Ruiter, heeft met een aantal deskundigen advies uitgebracht op welke punten ten aanzien van transparantie verbetering kan worden bereikt en welke voorschriften ten aanzien van de kostenstructuur kunnen worden opgesteld. De commissie De Ruiter was nog niet tot een eindconclusie gekomen of verzekeraars hadden al besloten om ook ten aanzien van oude dossiers een en ander nog eens onder de loep te nemen. Zij begrepen immers wel dat als de commissie De Ruiter met bevindingen ten aanzien van een verbeterde transparantie zou komen, consumenten deze aanbevelingen met terugwerkende kracht op hun situatie van toepassing zouden willen laten zijn. De consumenten zagen zich inderdaad door de aanbevelingen van de commissie De Ruiter aangemoedigd deze nieuwe normen op hun beleggingsverzekeringen toe te passen. Ook politiek en media stortten zich op het onderwerp en claimadvocatuur diende zich aan. Een en ander heeft een grote druk op mijn instituut gelegd en dat zal waarschijnlijk in 2007 ook voor het KiFiD het geval zijn.
Mij is als Ombudsman echter opgevallen dat de discussies over deze themas, met name dus over levensverzekeringsproducten op beleggingsbasis, door consumentenorganisaties, pers en politiek op een wel erg eenvoudig niveau worden gevoerd. Nogal eens wordt immers volledig voorbij gegaan aan het feit dat bij het aangaan van dit soort contracten doorgaans drie partijen zijn betrokken en dat de schuld van het niet naar tevredenheid voldoen daarvan niet altijd bij n partij, namelijk de fabrikant van het product, dus de verzekeraar, mag worden gezocht, maar soms ook bij de adviseur die het product heeft aangeboden, dus de assurantietussenpersoon, en soms ook bij de consument.
In voorkomende gevallen heeft de assurantietussenpersoon producten verkocht zonder zich ervan te vergewissen of er sprake was van een juiste match tussen enerzijds de behoefte of noodzaak bij de consument en anderzijds de voorziening welke door het product werd geboden. Er zijn met andere woorden verzekeringsproducten in verkeerde handen gekomen, bijvoorbeeld bij klanten die hun vermogen korte tijd bij een verzekeraar wilden parkeren om het daar te laten renderen, waarbij deze klanten werd geadviseerd om dat met een zeer groot beleggingsrisico te doen, op een hoog kostenniveau. Andere klanten kregen het advies om maar met een hoge inleg te beginnen, want als dat niet meer haalbaar was kon men rustig minderen, zonder erbij te vertellen welke consequenties dat voor de waardeopbouw zou hebben. In weer andere gevallen had de assurantietussenpersoon geadviseerd om langlopende producten te kopen, wetende dat de klant het eindpunt vermoedelijk niet zou halen, maar dat was zogenaamd geen probleem, omdat eerder uitstappen altijd mogelijk was. Ook dan werd niet gezegd wat dat ging kosten.
Deze voorbeelden van slechte adviezen vormden waarschijnlijk eerder een uitzondering dan een regel, gelukkig, maar zijn desalniettemin in mijn praktijk vaak naar voren gekomen.
Ook sommige consumenten kan stellig een verwijt worden gemaakt. Ik kan bijvoorbeeld opmerken dat consumenten in de markt zoals die zich voordeed, nogal eens te ongedurig en wispelturig waren en vaak ook iets te hebberig, zonder behoorlijk verstand van zaken te hebben. Deze consumenten namen producten af in een soort gretigheid om snel geld te maken, maar wilden het nadeel van de dalende beurs bij hun verzekeraar leggen toen de gekochte producten door die tegenvallende beurs kennelijk niet voldeden. Wanneer bewust voor honderd procent beleggen wordt gekozen, lijkt dit mij niet de juiste gang van zaken. Andere consumenten wilden in hun wispelturigheid al na acht jaar uit een vijfentwintigjarig contract stappen en waren dan verbaasd, omdat zij zich kennelijk niet ervan vergewist hadden dat dit in verband met de kostenstructuur effect op de waardeopbouw had.
Onbegrijpelijk vind ik het ook, dat consumenten voor een nieuwe badkamer of auto bij wijze van spreken zestien showrooms aflopen, maar een verzekeringsproduct dat in een essentile levensbehoefte moet voorzien, aan de keukentafel afnemen na een kort gesprekje en door een formulier in te vullen.
Niettemin treft de verzekeraars natuurlijk ook blaam, met name wanneer zij producten wilden leveren, al dan niet via een assurantietussenpersoon, terwijl zij goed konden weten dat de desbetreffende producten de klanten in kwestie nooit konden bieden wat in de reclame of de acquisitie werd voorgespiegeld. Ik denk bijvoorbeeld aan de producten die al te optimistisch werden geoffreerd onder de aanname dat de rente en koersen almaar zeer hoog zouden blijven, maar waarvan de in deze producten ingebouwde kosten, in het geval van een lage rentestand en gedaalde koersen, niet konden worden gecompenseerd.
Ook schromen verzekeraars niet mutatieverzoeken van klanten uit te voeren waarvan zij kunnen begrijpen, zonder veel van de klant te weten, dat die mutaties voor de consument nooit gunstig kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de consument die bij het vrijkomen van een lijfrente om hem moverende redenen besluit de relatie met de verzekeraar nog even te verlengen, maar vervolgens een geheel nieuw lijfrenteproduct verkocht krijgt, op beleggingsbasis, met een veel te korte looptijd en een volle kostenbelading, alsof hij een totaal nieuwe klant was. Bij dit soort situaties kunnen verzekeraars zich mijns inziens niet verschuilen achter het feit dat de assurantietussenpersoon heeft aangevraagd een en ander zo te regelen, omdat zij bij zulke verzoeken ongezien kunnen weten dat deze de klant benadelen. Ik vind dat verzekeraars ook op dit punt een zorgplicht hebben.
Situaties als hierboven beschreven, ben ik in de afgelopen jaren veelvuldig tegengekomen. Dat ten aanzien van dergelijke kwesties in een consumententelevisieprogramma over het woekerpolisschandaal werd gesproken, was mijns inziens toch iets te kort door de bocht, omdat ook, zoals ik hierboven heb gedaan, in de richting van de tussenpersonen en de consumenten zelf het een en ander is op te merken als het om de schuldvraag gaat. Bovendien heb ik tot mijn genoegen tegelijkertijd kunnen constateren dat op het punt waarop ik altijd veel kritiek heb uitgeoefend, te weten de intransparantie van de kostenstructuur, in de verslagperiode wel beweging is gekomen. Op deze plaats wil ik terzijde nog aantekenen, dat ik als Ombudsman op zich geen oordeel over de hoogte van de tarieven heb, maar alleen over de transparantie daarvan. De hoogte van de tarieven is een zaak van de vrije markt, waarbij ik ervan uitga dat transparantie op dat punt concurrentie en dus een daling van de tarieven mogelijk maakt. Wel heb ik uiteraard een oordeel over tarieven die dusdanig hoog zijn, dat het product in kwestie nooit de kans heeft te voldoen in de behoefte waarvoor de consument het product heeft gekocht. Juristen spreken in zon geval van een ondeugdelijk product of een product met een verborgen gebrek. In de meeste gevallen van het contractrecht is het dan toch echt de leverancier die voor dat gebrek moet opkomen.
Bron: Overgeld.nl 19 april 2007